Vleren in het Zuid-Hollandse en Utrechtse veenweidegebied op 16 september 2011

Op vrijdag 16 september 2011 is er een uitgebreide monstertocht uitgevoerd in het Zuid-Hollandse en Utrechtse veenweidegebied. Op een monstertocht is de inzet om in een korte tijd zoveel mogelijk (verspreidings)gegevens van vleermuizen te verzamelen vanuit een (langzaam) rijdende auto met in het beste geval aan weerszijden bat-detectors.

Een goede manier om van een aantal soorten veel informatie te verzamelen. Deze methode werkt het beste door deze aan te vullen met bezoeken aan watergangen, plasjes en bosjes omdat andere soorten zoals watervleermuis eenvoudig gemist kunnen worden met deze manier van verzamelen. Het weer werkte in de avond van 16 september optimaal mee. Het was licht bewolkt, tamelijk warm en de wind was grotendeels weggevallen. Halverwege de nacht veranderde de wind van richting naar het zuidwesten en begon wat toe te nemen. Wij (Eric Thomassen en Kees Mostert) begonnen in het oostelijke deel van de Krimpenerwaard in Zuid-Holland (Vlist en Haastrecht) en vervolgens een groot deel van het aangrenzende Utrechtse veenweidegebied te bezoeken. Het ging om een weinig bezocht en uitgestrekt gebied, de Lopikerwaard en Polder Benschop. Aan de noordrand volgden wij globaal de Hollandse IJssel richting Oude Water en Montfoort tot in IJsselstein. Vervolgens bezoeken we de eindeloos lange boerderijstroken tussen Benschap en de Vlist en van Schoonhoven tot aan Lopikerkapel. Het laatste traject was de winterdijk van de Lek richting Schoonhoven maar inmiddels was de (zuidwesten)wind tot matig toegenomen en was het aantal vleermuizen beneden maat.Het soortenspectrum was beperkt tot vier soorten maar de aantallen in het bezochte gebied overtroffen de stoutse verwachtingen. We zochten iets meer dan 100 kilometerhokken waarin maar liefst 1274 foeragerende vleermuizen werden genoteerd. Het overgrote deel had betrekking op ruige dwergvleermuizen waarvan wij in 96 kilometerhokken in totaal 691 exemplaren noteerden. Dat is dus gemiddeld zeven exemplaren per bezochte (strekkende) kilometer. Er was in deze periode een enorme instroom van ruige dwergvleermuizen merkbaar geweest die periodiek met tientallen tegelijk boven de watergangen foerageerden. De gewone dwergvleermuis was ook zeer goed vertegenwoordigd met 557 exemplaren in net iets meer verschillende kilometerhokken. Ook laatvliegers waren actief aan het foerageren. Er werden in totaal 25 exemplaren gehoord in 17 verschillende kilometerhokken. De meeste dieren foerageerden solitair. Langs de Hollandse IJssel werd nog een myotis gehoord waarvan dit helemaal duidelijk is of deze betrekking heeft op een watervleermuis dan wel een baardvleermuis.
Vanaf het moment dat de schemering was ingezet was er vrijwel voortdurend activiteit van vleermuizen hoorbaar via de detectors. Hierbij was opvallend dat er steeds weer kleine concentraties hoorbaar waren van gemengde groepjes ruige- en gewone dwergvleermuizen. Het tellen van dergelijke aantallen is natuurlijk uiterst lastig en de resultaten moeten dan ook met enige relativering worden beschouwd (een dwergvleermuis foerageert meestal over een lengte van ca. 50 meter).

Soort en aantal

Krimp.

Montfort

Benschop

Lopik

 

Totaal aantal

aantal km

 

 

 

 

 

 

 

 

gewone dwergvleermuis

88

337

58

74

 

557

97

ruige dwergvleermuis

105

376

87

122

 

691

96

laatvlieger

11

7

6

1

 

25

17

Water/baardvleermuis

1

0

0

0

 

1

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

205

720

148

197

 

1274

101


Merkwaardig om te beseffen dat de hoeveelheid vleermuizen waarschijnlijk zelfs de meest talrijke broedvogel in het geibed, de merel, in aantal zal overtreffen. In ieder geval is er met deze inspanning een mooi gat geslagen in het zelden gezochte Utrechtse veenweidegebied tussen Krimpenerwaard en IJsselstein. 

Kees Mostert